Jump to ratings and reviews
Rate this book
Rate this book
Excerpt from Small Souls

Small Souls is the first of a series of four novels describing the fortunes of the Van Lowe family and known in Holland by the generic title of The Books of the Small Souls. The remainder will be trans lated and published if and as the antecedent volumes find favour with English and American readers. They are The Later Life, The Twilight of the Souls and Dr. Adriaan.

228 pages, Paperback

First published January 1, 1901

21 people are currently reading
532 people want to read

About the author

Louis Couperus

272 books127 followers
Louis Marie-Anne Couperus (June 10, 1863 – July 16, 1923) was a Dutch novelist and poet of the late 19th and early 20th century. He is usually considered one of the foremost figures in Dutch literature.

Ratings & Reviews

What do you think?
Rate this book

Friends & Following

Create a free account to discover what your friends think of this book!

Community Reviews

5 stars
185 (40%)
4 stars
187 (41%)
3 stars
64 (14%)
2 stars
15 (3%)
1 star
5 (1%)
Displaying 1 - 30 of 37 reviews
Profile Image for Marc Lamot.
3,477 reviews2,004 followers
April 29, 2020
Louis Couperus (1863-1923) was one of the best known Dutch authors of the 19th and 20th Century. He was a very prolific writer and ranges more or less in the category of naturalism, a bit like Thomas Hardy, but with his own accents (the link with the Dutch colony of the East Indies for example), and especially with a very distinct, rather exuberant style. For decades he was compulsory reading in schools in the Dutch language area, mostly his shorter works like Eline Vere: A Novel of the Hague or The Hidden Force, and Old People and the Things That Pass.

But for me, his very best is this large work, 'The Books of the Small Souls', a succinct read of more than 900 pages. It's one of the best books in Dutch literature. Perhaps this is because there is a bit less naturalistic tightness than in Couperus' other works. The story is set in Dutch high society circles in the capital The Hague, around 1900. That makes it a real 'bourgeois' novel, but its scope is universal because essentially focussing on the precariousness of the human condition.

The first book has a very sturdy rhythm, it is exciting and has a hilarious climax. Constance-Henri and Addie and their difficult integration into the Hague society are highlighted in this section. The second book has a more temperate pace, at the expense of the suspense, and a little too much "languorous" scenes. In this part the impossible relationships are central to the story: especially those between Brauws and Constance. In the third book, the focus is on the brothers Gerrit, with some sublime fragments and slightly more suspense, but the descriptions are sometimes too cumbersome. The last book is the weakest part, it's more episodic, more like a soap.

All in all, this is a great society novel that can compete with the best of Thackeray, Trollope and Hardy! Apparently an English translation of the book had quite some succes in the United States, in the 1920s and 1930s. Some recent reprints are Small Souls and Small Souls, but mostly contain only the first part.
Profile Image for Bettina.
702 reviews13 followers
September 9, 2023
Meer dan dertig jaar geleden las ik dit boek en ik vond het mooi, maar ik denk ook dat ik het toen nog niet helemaal begreep.
Ik heb het nu opnieuw herlezen en het trof me, hoe mooi ik het vond.
De schrijfstijl van Louis Couperus is rijk, poëtisch, omslachtig, maar volkomen passend bij de tijd.

De boeken der kleine zielen (vier delen) is het verhaal van Constance van der Welcke, die na twintig jaar weer terugkomt in Den Haag, bij haar familie. Er is twintig jaar geleden een groot schandaal geweest, en zij heeft al die tijd met haar man en kind in het buitenland geleefd. Nu komt ze terug, omdat ze haar familie zo mist.
De familie komt elke zondagmiddag bij moeder in het ouderlijk huis langs, en dit geeft voor de buitenwereld een idee van hechtheid en saamhorigheid. In werkelijkheid is daar weinig van te merken. Bijna alle broers en zussen hebben er wat op tegen dat Constance en haar man weer naar Den Haag komen, en de roddel en achterklap tieren welig. Wie van de familieleden ook bij elkaar zijn, er is altijd wel wat te katten over de familieleden die er op dat moment niet bij zijn. (of niet binnen gehoorsafstand.)
Langzamerhand worden de scheuren in de familie steeds duidelijker en is te merken dat bijna iedereen wel een tik van de molen heeft gehad, want elk van deze mensen leeft alleen maar in een kleine, kleine bubbel, en is niks anders dan een kleine ziel.

Prachtig hoe trefzeker Louis Couperus al deze mensen neerzet, soms in een paar zinnen, een enkele scene, waarmee al hun kleinigheid meteen duidelijk wordt.
Je wil ze af en toe door elkaar schudden, al die familieleden die zich maar laten drijven op de stroom van het lot, en tegelijkertijd kon ik ook mededogen voor ze opbrengen. Ondanks alle drama en de troosteloze regenachtige dagen, met druipende, kale boomtakken, is er op het einde toch enige hoop te vinden.
Een prachtige, Nederlandse klassieker.
Profile Image for Matthijs.
117 reviews11 followers
March 31, 2015
Je leest een boek en je denkt: Dit zijn helemaal geen aardige mensen. Het zijn arrogante zakken, wispelturige, overgevoelige tutjes en nerveuze drama queens. Of, zoals iemand in het boek zegt: ‘Het zijn allemaal zieken en gekken’.

Het boek frustreert je. Je denkt: Doe toch even normaal. Práát in vredesnaam met elkaar. Verbouw lekker dat sombere huis. Je wordt boos: Kom op, het is je broer, doe niet zo kleinzielig! Je moedigt aan: Ga nou maar, wat maakt het uit wat mensen denken, trek je er niets van aan.

Het boek is frustrerend, dramatisch, somber. Je denkt: Is dit eigenlijk wel een goed boek? Zeker, het is prachtig, bloemrijk, gevoelvol geschreven. Het is een magistraal voorbeeld van vertelkunst. Maar vind ik het eigenlijk wel een goed boek? Het maakt me boos, somber, geïrriteerd.

Tot je beseft: Het is niet het boek dat me boos maakt, het zijn geen romanfiguren die me irriteren. Het zijn mensen die me boos maken. Al die arrogante, wispelturige, overgevoelige, kleinzielige mensen raken me omdat ik denk dat ze echt zijn. Het voelt alsof deze mensen echt ergens hebben bestaan en het maakt je boos dat ze zo hun leven vergooien in een dictatuur van gevoelentjes en haat en nijd. Het zijn mensen die je in gedachten toeschreeuwt: Verman jezelf!

Als je dat beseft, dat het niet een boek is dat je boos maakt, dat het geen personages zijn die je frustreren, maar dat het je juist raakt en al die negatieve gevoelens oproept omdat het voelt alsof het om echte mensen gaat, dan denk je: Ja, het is toch een goed boek. Het is een heel goed boek.

Niet alleen om de taal, niet alleen om het inkijkje in een cultuur van meer dan een eeuw geleden dat nog steeds boeit, niet alleen om de schets van een samenleving die verdwenen is. Nee, vooral hierom: Dat je heel het boek door, bij alle drama en somberte, denkt: Ik hoop dat het aan het eind toch goed afloopt voor al die mensen.
Profile Image for Strouckje.
121 reviews4 followers
June 11, 2021
Heerlijk en prachtig geschreven boek over de Haagse decadentie. Zo beeldend geschreven en met zulke levendige dialogen dat je je terug waant in de tijd en haast deel uitmaakt van het hele gebeuren.
Profile Image for Els Lens.
387 reviews23 followers
July 24, 2018
Mijn exemplaar telde meer dan 900 blzn.! (e-book)
Het bleef wel boeien, omdat Couperus nu eenmaal een topschrijver is.
Prachtige beschrijvingen van de Hollandse weersomstandigheden en van de natuur, in zijn gekende bloemrijke taal. Als Couperus een donkere stormachtige dag in de herfst beschrijft, dan voel je jezelf aanwezig in die donkere dag, dan hoor je de wind gieren en zie je de kruinen van de bomen heen en weer zwiepen, in de laan met statige herenhuizen.
Ook de sociale contacten van de burgerij in Den Haag worden boeiend beschreven.
En toch, mààr 4 sterren en geen 5, omdat het allemaal te veel uitgesponnen is en omdat hier (in mijn exemplaar) wel een zeer verouderde taal wordt gehanteerd. Dat was bij Eline Vere en De stille kracht wel anders.
Profile Image for José Van Rosmalen.
1,452 reviews28 followers
November 9, 2022
Louis Couperus schreef met de boeken der kleine zielen zijn grote Haagse roman. Ik bewonder zijn karakteriseringen en zijn levensecht geschreven dialogen. Hij beheerste het society Haags en ook het platHaags. Het boek of liever de boeken zijn inmiddels al ruim een eeuw geleden geschreven, maar nog altijd sprankelend en goed leesbaar. Couperus hoort bij de groten van de Nederlandse literatuur, zeker bij de top tien, net als Multatuli, Vestdijk, Haasse, Du Perron, Hermans en Mulisch.
Profile Image for Karin.
161 reviews6 followers
June 12, 2014
Het verhaal vond ik niet overal even interessant; bij vlagen heeft het iets van een zeurderige soap, vooral in de dialogen. Maar daartegenover staan scherpe karaktertekeningen, een boeiende ontwikkeling in de belangrijkste personages, een fijne melancholieke sfeer en mooie bedachtzame bespiegelingen - dit boek is rijk aan ideeën (die ook subtiel weerspiegeld worden in de structuur van het verhaal) en daarmee misschien wel de interessantste van de drie "Haagse romans". Het schitterende taalgebruik van Couperus, ten slotte, verdient bíjna een vierde ster.
Profile Image for Zazou.
325 reviews5 followers
December 18, 2012
Wat een mooi boek! Eigenlijk beviel het me nog beter dan "Eline Vere". Een mooi geschreven roman, waarin verhaald wordt hoe iedereen worstelt met zichzelf, of met zijn omgeving. Je moet er wél even de tijd voor nemen, op de ereader was het een dikke pil van 863 bladzijden, maar de echte boeken zijn in totaal meer dan 1000 pagina's. Niet iets, om zomaar even tussendoor te lezen!
95 reviews2 followers
May 14, 2018
De boeken der kleine zielen is een prachtige romancyclus van Louis Couperus. Net als zijn andere boeken heeft hij in een genuanceerde en sierlijke stijl geschreven. Ik vind dat erg goed passend bij de sfeer die hij schetst van de jaren rond 1900 in Nederland met name Den Haag en Driebergen.Ik heb het met veel plezier gelezen en raad het aan aan lezers die van mooi taalgebruik houden.
Profile Image for Marc Lamot.
3,477 reviews2,004 followers
October 28, 2023
Absoluut één van de beste boeken in de Nederlandse literatuur. In feite een serie van 4 boeken, in totaal meer dan 900 bladzijden. Een echte Haagse society-roman ook, waarin de wisselvalligheid van het menselijke lot centraal staat. Zie mijn uitgebreidere, Engelse review: https://www.goodreads.com/review/show....
Profile Image for Cheryl.
1,149 reviews
December 3, 2015
Book 1 of 4 of the "Books of the Small Souls" series.
188 reviews4 followers
Read
November 3, 2020
I have yet to read Couperus' most celebrated novel Eline Vere; in fact this was my first encounter with one of the most important authors (dixerunt wikipediae nl and en) in the literature of my native Dutch.

The protagonist fights an inner battle between conformity to her bourgeois morals and following her desires. Married to a diplomat, then divorced over an adulterous relationship, she returns to her home city 15 years later hoping to have lived down the scandal. Frustrated in her hopes of rebuilding a meaningful life through conformism, she is torn between personal passion and moral duty to her child.

Couperus depicts the 19th century The Hague bourgeoisie credibly but harshly, and it takes a bit of contextualist reading to get over the massive amount of prejudice and pretence, and understand why Constance would even feel remotely bound by their absurd conventions. After that, the novel becomes quite enjoyable and relevant.

I think that I will add Eline to my reading list.
Profile Image for Nelleke.
752 reviews23 followers
March 13, 2017
Mijn verwachting was dat ik een lastig en saai boek ging lezen. Na 10 pagina's moest ik hier al op terug komen. Het verhaal boeide mij al vanaf de eerste pagina's. En het enige lastige in dit boek was om alle personages uit elkaar te kunnen houden, vooral de kleinkinderen. Het is te mooi om het een soap te noemen, er gebeuren ook te weinig echt dramatische dingen. Het enige drama is natuurlijk de ondergang van de rijke familie van Lowe. Wat betreft rijkdom en aanzien is dit ook echt een ondergang. Gelukkig zijn er nog andere factoren die geen neerwaartse spiraal vertonen: De liefde onderling en de ontwikkeling van de karakters en dit maakt het voor mij een erg mooi boek om te lezen. Zeker omdat ik het verwacht had.
11 reviews12 followers
April 3, 2010
I'm reading this book for the 4th time and it's still very fascinating. Couperus is to me the best dutch author of all times. He describes the dutch mentality as no one else.
Profile Image for Roosje De Vries.
226 reviews10 followers
December 16, 2017
‘De bel van de voordeur ging telkens: tingeling, tingeling... Al dat geluid: de wind... phu! phu! de gamma’s tatatatatata, tata-tata-tata; de huisbel: tingeling tingeling... de draaiorgels op straat, tegen elkaar in...en de kleuren binnen, de behangsel- en gordijn- en tapijtkleuren, snerpend als papegaaien; de kelen der verkopers buiten: Aarebèien... mooie aarebèien!! ... het rammelen van de warmoezierwagens, daverend over de helklinkende straatkeien - het snaterde door elkaar en het was of de wind elke geluid op zichzelf zo verhelderde en verijlde, als woei er van elk geluid een omneveling weg, om alleen te laten snetteren de rulle, klinkende kern ervan langs de blinkende spiegelramen, de jichtig krakende vlaggestokken, tot in die kamer, waar de papegaaienkleuren kakelden...’ (1981: 111)
Vooraf
Ooit vroeger heb ik De boeken der kleine zielen gelezen, fragmentarisch als ik me het goed herinner. De Boeken tellen in de dikbedrukte pagina’s van mijn uitgave uit 1981 van Veen Uitgevers in die ouderwets namaakleren banden, nog geen 700 pagina’s, dus dat valt best mee in verhouding tot alle delen van Het Bureau van Voskuil, of Dantes Goddelijke Komedie. Ik ben gaan lezen, maar toen kwam plots de Luisterbibliotheek op mijn pad en die bood De Boeken aan als luisterboek. Ik kan het luisterboek bijzonder aanbevelen. Couperus’ impressionistisch taalgebruik is, zoals uit het citaat hierboven blijkt, bijzonder muzikaal. Het luisteren van De Boeken was daarom een heel aangename luisterervaring. Prettiger dan wanneer ik alles gelezen zou hebben. Dan zou ik me eerder ergeren aan dat onomatopee-achtige gebazel met taal, het impressionistische gepriegel met klanken, de binnenrijmen, de alliteraties, de herhaling van dezelfde zinnen als in een gebed of een mantra, de constante verzuchtingen van de familieleden Van Lowe.
O, ja, er zullen hier en daar wel spoilers vermeld zijn. Maar gelukkig moet deze romanserie het niet hebben van spanning en sensatie, hoewel....
Hoofdpersonen zijn Constance van der Welcke en haar zoon Adriaan, kortweg Addy, maar nauw binnen het kader van de de gegoede burgerfamilie Van
Lowe. Constances scheiding van De Staffelaer en haar tweede huwelijk met Henri baron Van der Welcke, die notabene ook jonger is dan Constance, is de misschien niet de grootste, maar wel de meest centrale misstap, begaan in dit boek, met resonanties in de relaties tussen bijvoorbeeld nichtje Emilie, haar ex-echtgenoot en haar broer Henri, en ook wel tussen Constance als kind en haar broers Ernst, Paul en Gerrit. Natuurlijk hoort de goede lezer en verstaander op de achtergrond Van oude mensen... en ook De stille kracht mee resoneren.
Het gezin Van Lowe bestaat uit mama, die Marie heet en haar kinderen Bertha, Gerrit, Ernst, Karel, Paul, Adolfine, Dorine (natuurlijk zou ik haar bijna vergeten, de grijze muis op de achtergrond, altijd slovend voor broers en zussen) en Constance. En de kinderen van die kinderen.
Mama Van Lowe ziet het liefst haar hele familie bij elkaar. Ze is vooral gesteld op Constance. Haar jour op zondagavond is het belangwekkendste evenement van de week.
Papa Van Lowe was gouverneur-generaal in Indië. Hij is gestorven, vreest Constance, door haar misstap met Van der Welcke.
Broer van mama is (oom) Ruyvenaer met een suikerplantage op Java en een Indische vrouw en dochters, die allen thuis blijven wonen: warme mensen, maar niet gedistingeerd genoeg met hun Indische taaltje, hun nasi goreng en hun weinig burgerlijke flapuiterigheid.
Over het algemeen hebben de Van Lowes grote gezinnen. Gerrit, huzaar en laat getrouwd, heeft zelfs negen kinderen, ieder jaar een. Hij probeert zijn levensangst, zijn melancholie te bestrijden met het hebben van heel veel kinderen. Zijn lichaam is een van de gezondste in de familie: hij rijdt paard en oefent iedere dag met de halters.
Elk gezinslid introduceert Couperus aan het begin van Boek 1: De kleine zielen. Hun uiterlijk, hun karakter, hun kleine leventje, hun onhebbelijkheden. Vanaf pagina 1 ervaar je de afkeer van Couperus van dit milieu, hoewel het er in het verloop van het verhaal op lijkt dat Couperus meer compassie krijgt met zijn hoofdpersonen. Op het laatst komt de tamelijk eendimensionale Karel nauwelijks meer voor. Hij is in zijn vormelijkheid en onhartelijkheid geen interessant personage meer.
Karel is vroeger burgemeester gewest van een kleine gemeente, maar is nu alleen maar aan het rentenieren. Met zijn vrouw Cateau leeft hij huiselijk. Ze zijn gierig en leven alleen voor zichzelf. Zij houden van een ‘goede tafel’.
Bertha en Adolfine vertegenwoordigen de gegoede burgerij met echtgenoten in de bestuurlijke bovenlaag. Bertha’s man was vroeger (sic!) minister van Koloniën: als lezer weet je direct al: deze familie is absoluut op zijn retour.
Paul is vrijgezel en heel netjes op zichzelf en op zijn kamers; hij heeft een soort smetvrees en ziet eruit als een dandy. Je vermoedt in hem een stukje van Couperus zelf, wellicht ook homoseksueel, maar dat is niet belangrijk. Hij heeft geen idee van vrouwen. Hij zou wel een jong meisjes willen trouwen, die hij kon vormen naar zijn idee. Ik denk dan: een vrouw dus, die geen vrouw is, maar met het ranke lichaam van een jongen. Nee, zegt Constance tegen hem, je moet juist een flinke vrouw trouwen, eentje die van wanten weet. Paul trouwt nooit.
Ernst is een zonderling, die op zijn kamers een grote verzameling porselein en oude boeken heeft en tamelijk paranoïde is. Ook hij is ongetrouwd.
Dorine, de jongste, is ook ongehuwd en leeft in een pension. ooit is ze het huis uitgegaan om ziekenverzorgster te worden. Daarna wilde mama Van Lowe haar niet meer terug in haar grote huis. Dorine loopt altijd te sloven voor de familie maar wordt door niemand serieus genomen. Ze is een klagend piepend muisje met natte paraplu’s en modderige overschoenen.
Het zijn boeken met een veelheid aan personages. Dat is altijd ingewikkeld. Tegenwoordig maak ik direct een lijstje met namen. Maar desondanks weet Couperus het rustig te vertellen en door een slimme herhaling weet je meestal al snel weer wie wie is, ondanks dat sommigen dezelfde namen hebben, twee Henry’s bijv.: Van der Welcke en de broer van Emilie van Naghel, de verschillende Marietjes, vernoemd naar mama Van Lowe.
Het meest uitzonderlijke personage is Addy, die de feitelijke motor is, eerst van het gezin Van der Welcke, later van de hele familie Van Lowe. Hij is van jongs af de middelaar tussen zijn vader en moeder. Hij zit tot op hoge leeftijd bij zijn vader en moeder op schoot. Dat is wel heel raar. Het huwelijk van zijn ouders, gedwongen omdat zij een affaire hadden terwijl Constance nog getrouwd was met een vriend van haar vader, De Staffelaer, is niet gelukkig. Addy houdt van hen beiden en weet altijd de vrede te bewaren - anders dan bijvoorbeeld in Van Oude mensen..., waarin het huwelijk van Ottilie Steyn de Weert ieder moment op barsten staat. Gezond is de situatie van Addy natuurlijk niet. Daar zijn ze zich alle drie bewust van. Addy lijkt meer te hebben van zijn vader, een sportieve en gezonde man. Maar de slechte genen van de Van Lowes laten ook Addy niet ongedeerd.

Couperus staat bekend om zijn goede karakterisering van vrouwenportretten. Denk maar aan Eline Vere. Dat heeft hij gemeen met Frederik van Eeden, bijvoorbeeld diens Van de koele meren des doods. De auteurs en ook de schilders die bij de Beweging van Tachtig hoorden, hadden door hun impressionistische kunstopvatting meer aandacht voor het vrouwelijke en verfijnde dan voorheen het geval was. Couperus was bij voorbeeld ook een groot liefhebber van Zola’s roman Thérèse Raquin. Hij streeft ook deels diens naturalisme na. Zo ook in De kleine zielen-serie - ik zou het geen romancyclus noemen, want over welke cyclus (= kring; een slang die zich in de staart bijt) zouden wij het hebben? In de drie beroemde Haagse romans van Couperus: Eline Vere, Van oude mensen de dingen die voorbij gaan, De boeken der kleine zielen, spelen vrouwen een heel belangrijke rol. Deels omdat zij gevoeliger zijn voor stemmingen, impressies en melancholie, deels omdat hun positie in die benauwde, vastomlijnde maatschappelijke coterie van het grootstedelijke burgerdom nog benarder was dan die van de mannen. De mannen hadden nog hun club, hun baan, hun bezigheden buitenshuis, hun sport, hun liefjes eventueel. Vrouwen waren gebonden aan huis, aan de strakke burgerlijke moraliteit, aan hun kinderen, ondanks de kindermeisjes. En daarom zijn vrouwen een beter vehikel om de benardheid en ziekelijkheid van de Haagse coterie te symboliseren.
Couperus zal zich als dandy en homo meer met vrouwen hebben kunnen identificeren. Ook hij voelde zich klemgezet in het burgerlijke Den Haag. Hij kon er niet vrij ademen. Hij zocht zijn toevlucht tot de mediterranée en de klassieke Oudheid. Ook deels vanwege zijn homoseksualiteit, waar hij niet vooruitkwam, anders dan bij voorbeeld de broer van Carry van Bruggen, Jacob Israël de Haan (Pijpelijntjes over zijn verhouding met arts Sam Aletrino, die daar op zijn zachts gezegd niet blij mee was; van harte aanbevolen te lezen; Carry van Bruggen zelf eveneens).
Couperus en Frederik van Eeden zijn door vrouwen geprezen om hun beschrijving van vrouwen.

Ik heb me wel een beetje het hoofd gebroken over de psychologische ontwikkeling van de personages. Couperus vertelt het verhaal van de familie Van Lowe scenisch, net als Thomas Mann in diens De Buddenbrooks. Daardoor krijgt de psychologische ontwikkeling van de personages soms iets schokkerigs, iets abrupts, omdat de overgang van de ene naar de andere gemoedstoestand niet steeds een vloeiende is. Maar psychologische ontwikkeling is er zeker. Bij een groot deel van de familie Van Lowe, en bij Henri. De grootste ontwikkeling is er bij de twee belangrijkste figuren: Constance en Addy. Constance kan zich na een turbulent en ‘zondig’ leven verzoenen met haar staat van zijn, ook al is zij een ‘kleine ziel’, misschien juist wel doordat zij een kleine ziel is. Wat is er mis met de staat van zijn van een kleine ziel? Elk mens is in diepsten een kleine ziel. Ik vat dit boeddhistisch op. Ook Couperus had, weliswaar later in zijn leven, affiniteit met het boeddhisme.
Addy realiseert zich dat hij meer van de melancholie van zijn moeder geërfd heeft dan hij dacht. Hij voelt in zichzelf ‘de zwarte onvoldaanheid’, die de hele familie Van Lowe karakteriseert. Maar hij weet dat hij die kan onderdrukken door voor andere mensen te zorgen, zoals zijn moeder ook doet. Een dergelijke levensinvulling zien we ook terug bij Hedwig in Van de koele meren des doods.

Het is met name een tweetal emoties waar het veelal om draait. Enerzijds de diepe melancholie, die vat krijgt op alle leden van de familie Van Lowe. Anderzijds de jaloezie en afgunst die zich overal tussendoor manoeuvreren.

Het verhaal bestrijkt ongeveer 14 jaar, de tijd wordt gemeten naar de leeftijd van Addy. We beginnen als Addy een knaap is van 13 en eindigen wanneer hij ongeveer 27 jaar is. Het begint met de terugkomst naar Den Haag van Constance, die jaren in Rome en Brussel gewoond heeft. Eerst met haar vaderlijke echtgenoot Van Staffelaer, een vriend van haar vader en door hem gekoppeld. Constance is het lieverdje van haar vader en moeder. Dat zet kwaad bloed bij haar broers en zussen, nu eigenlijk voornamelijk bij Bertha, Adolfine en Karel en Cateau, die vrezen voor hun maatschappelijke positie. Constance is de risée van Den Haag.
Constance verlangt naar de warmte van haar familie, en ze wil hun zoon Addy lin Nederland aten studeren; hij moet een diplomatenfunctie gaan uitoefenen. Dit om zijn vader - én de vader van zijn vader - genoegdoening te verschaffen; Henri had wegens zijn faux pas met een getrouwde vrouw zijn maatschappelijke bestuursfunctie moeten opgeven. Boek 1: De kleine zielen gaat over Constances terugkeer naar Den Haag. Het boek eindigt met een uit de hand gelopen ruzie tussen Constance en Henri aan de ene kant en Van Naghel aan de andere kant. Constance en haar gezin was de toegang tot de jour van haar zuster Bertha ontzegd omdat zij hun maatschappelijke positie zou degraderen. Henri daagt Van Naghel tot een duel. Zover komt het niet.
Boek 2: Het late leven gaat over Constances verdere leven in Den Haag. Ze is een tijdje in Nice geweest maar de krappe pecunia dwingen haar terug naar Den Haag. In deze fase voelen Henri en zijn nichtje Marianne van Naghel zich steeds meer tot elkaar aangetrokken. Anderzijds voelen Constance en Brauws, een jeugdvriend van Henri, een socialist, een pacifist, spreker voor de vrede, zich tot elkaar aangetrokken. Beide stellen besluiten niet over te gaan tot het consumeren van hun liefde. Marianne trouwt met Charles van Vreeswijck, een andere vriend van Henri, die zij aanvankelijk heeft afgewezen omdat zij zo verliefd is op Henri. Henri en Constance blijven om Addy bij elkaar. Zij willen de jongen sparen.
Van Naghel sterft en Bertha raakt aan de bedelstaf. Dochter Emilie vlucht weg van haar man, nadat hij haar geslagen heeft, met haar broer Henri naar Parijs.
Boek 3: Zielenschemering. In dit boek staat Gerrit uitgebreid in het spotlicht. Hij lijkt gezond en luidruchtig en blij met zijn ‘troepje’ kinderen. Maar de melancholie heeft hem in de greep. Het monster laat hem niet meer los. Hij houdt meer van zijn kinderen, negen stuks, dan van zijn vrouw. Hij komt op straat een liefje van vroeger tegen. Zij krijgen een korte romance maar zij maakt het uit. Het loopt slecht af met haar, en in het verlengde daarvan ook met Gerrit. Met Ernst gaat het ook steeds minder. Hij verhuist naar een rusthuis in Nunspeet. Constances schoonmoeder is overleden en zij hebben zich met elkaar verzoend op het sterfbed van de oude vrouw. Aan het eind van dit boek zijn er al wat doden te tellen.
Boek 4: Het heilig weten; de Van der Welckes wonen inmiddels in de grote villa in Driebergen, van Henri’s overleden ouders; bij hen wonen mama Van Lowe, oud en dement, de kinderen van Gerrit en zijn vrouw, later nog Marietje, Mary, van Adolfine, die ernstig geestesziek is. En in de loop van de jaren komen Ernst, Paul en ook vriend Brauws in de buurt wonen. Aanvankelijk woont ook Addy met zijn vrouw en hun twee kinderen daar. Mathilda, Addy’s vrouw voelt zich buitengesloten door de hechte kring van de familie en wil met hun eigen gezin in Den Haag gaan wonen. Addy is inmiddels een aankomend zenuwarts en hij behandelt ook familie.
De romanserie stopt wanneer Constance, Henri en ook Addy een zekere mate van gemoedsrust gevonden hebben en mama Van Lowe in rust gestorven is.

De verhalen rond Constance en haar familie worden scene na scene verteld, alsof het een toneelstuk is. Er is weinig handeling. Er is heel veel dialoog en die dialogen, tekstueel vooraf gegaan door liggende streepjes -, en dat maakt de leestekst heel rustig -, zijn uitermate goed. Er is veel monologue intérieur, of vrije indirecte rede is, denk ik, een betere term. Die twee literaire concepten liggen dicht bij elkaar. Soms lijkt er een alwetende verteller aan het woord maar ik denk dat het vooral de vrije indirecte rede is die het perspectief bepaalt. Misschien gaat het ene perspectief soms geruisloos over in het andere.
Er wordt veel beschreven in de zo eigen impressionistische taal van Couperus. De beschrijvingen zijn vaak van zinnelijke en lichamelijke aard, maar tegelijk hebben die een psychische component.
Exemplarisch is ook het veelvuldig gebruik van puntjes...
Een ander structuurelement is de herhaling, als zijn de zinnen en verzuchtingen mantra’s of recitaties, die zowel innerlijk als uiterlijk gemompeld, gekreund, gehuild, gewanhoopt worden.
Met name in het het eerste boek is de taal wat geaffecteerd, maar naarmate de familie haar sociale positie verliest, ook oom Ruyvenaer en zijn gezin moeten eraan geloven, wordt de gebruikte taal gewoner, natuurlijker.
Het is evident dat Couperus zich heerlijk kon laten gaan met deze suikerzoete, dweperige, impressionistische woorden in die zinnetjes die zich alsmaar herhalen als de kralen in een gebedskrans.
Flashbacks zijn er vooral in de verzuchtende herinneringen aan Indië van mama, Constance en haar broers in Buitenzorg, tempo doeloe, de heerlijke tijden van weleer, zonder zorgen, vol genot en natuurervaringen; de dichte nabijheid van het mooie zoete zusje en haar broers, die haar aanbeden.
De beschrijvingen van de psychische wanen en wanhopen zijn heel indrukwekkend.
Het volgende fragment gaat over Ernst, met name wat hij meemaakt in zijn psychose; het is niet helemaal duidelijk of hij dit tegen zijn broers zegt of prevelt of dat de woorden en gewaarwordingen alleen in zijn hoofd zitten, of misschien beide en gaat het een in het ander over:

‘En in de gang, tussen de voordeur geklemd, op de treden van de trap, geklemd tussen zijn kamerdeur, lagen de arme hikkende snikkende zielen; ze lagen vertrapt en vertrappeld, alsof een ruwe menigte gedanst had op hun tere vlinderlijven, op hun broze lichamelijkheden en de gehele nacht had hij in de hoek van zijn kamer, waar hij stil was gaan zitten, huiverend in zijn nachthemd, in het donker, het geweeklaag van de zielen gehoord, hun handen horen wringen, hen horen smeken om zijn genade, om zijn ontferming, want zij wisten, dat hij hen liefhad, dat hij hun goed wilde doen, de arme zielen... Hij begreep wel, hij begreep wel, - hij begreep wel, dat die twee ruwe ploerten , die vrouw en die broer (Ernsts hospita en haar broer, rdv), gedacht hadden, dat hij gék was.. Maar hij had alleen willen ademen koele lucht van de nacht, willen voelen koele lucht van de nacht huiveren over zijn hete leden, die zo warm aangloeiden, omdat in bed de zielen zo drongen tegen hem aan, ook al poogde hij ze zacht af te weren...’ (ibidem: 358)

In mindere mate dan Thomas Mann (De Buddenbrooks gaat immers ook over de neergang van een gegoede familie, niet helemaal dezelfde tijd maar in de buurt; een heel andere plek, dat wel) maakt Couperus gebruik van motieven om het verhaal tot een eenheid te smeden. Ik noem er een paar:

Wind, storm en regen, zowel de Hollandse weersgesteldheid als de Indische moessons, de laatste met name in de demente beleving van mama. Dit weertype is als een uiterlijke natuurlijke verschijning van het psychisch en emotioneel gevoelen van de mensen. Vooral bij Constance, die veel lijdt, maar ook bij anderen.

Vlees snijden: een grappig motief dat te maken heeft met Addy en Guy. Als Guy weg is gelopen naar New York en op voorspraak van Brauws daar een job heeft gevonden en Addy altijd naar patiënten is, doet Brauws het (de oude socialist is de familie gevolgd en woont ook in de buurt). Henri heeft er een hekel aan, vroeger deed Addy het of Guy, verzucht Henri, daarmee zeggend dat Guy zijn surrogaatzoon was toen Addy veel weg was of studie of werk. En nu zijn beiden weg...
Fietsen is voor Henri een uitlaatklep. Vaak gaat hij vergezeld van Addy, die daar op een bepaald moment geen tijd meer voor heeft. Graag had Henri een auto gehad, een ‘kachel’ zoals hij het noemt, maar daar had hij geen geld voor. Met het harde rijden op de fiets heeft hij een middel om zijn frustraties te reguleren en zijn slechte huwelijk draaglijk te maken. Dubbel is zijn geluk als hij met Addy kan fietsen. Henri is in tegenstelling tot de Van Lowes een gezonde man, al denk ik dat de enorme hoeveelheid sigaretten die hij dagelijks tot zich neemt, geen garantie zijn voor een gezonde oude dag.
De jour van mama Van Lowe is iedere zondag. Zij hecht daar erg aan. Zij heeft haar familie graag bij elkaar. Haar grote lege huis vult zich met gezelligheid, spelletjes whist, boterhammetjes en opgestoken lampen. Toch woont ze graag alleen. Dorine wil ze niet meer thuis. Als het niet anders meer kan dan wil ze bij Constance wonen, en dat zet kwaad bloed bij haar andere kinderen, met name haar dochters. Als de zondagavonden geen doorgang meer vinden, drijven de familieleden als vanzelf uit elkaar.

Profile Image for Dolf van der Haven.
Author 9 books26 followers
September 9, 2023
A masterpiece of early 20th century literature, these four books show Couperusnat the top of his game. His signature use of language, including neogisms, triple dots and inversions, makes this initially hard to read, but his rhythmic flow will take the reader along.
The plot revolves around an aristocratic family in The Hague that seems to have as its only aim to minimise scandals and keep up appearances for the outside world. Very typical for Dutch society at the time and I even recognize some of my own family members in these characters.
The books are not flawless, with some minor cardboard characters and parts of the later books seem to have been written in a rush. Nevertheless, this epic family saga will remain with the reader for a long time.
40 reviews
January 14, 2026
Deel 1 t/m 4 staan niet als geheel op Goodreads, ik ben nu dus op de helft. Ik was best een beetje bang voor dit boek met ruim 1000 pagina's maar het leest goed en het is zooo vermakelijk. De confrontatie tussen Constance en Adolphine? Hilarisch. Couperus kan heel goed mensen schrijven. Dit is denk ik mijn favoriete Couperus tot nu toe
Profile Image for Pieter-Jan.
32 reviews
October 22, 2024
Niet mijn ding.

Wie een uitgebreide review wil nodig ik uit om naar mijn presentatie te komen of mijn paper te lezen. Verder maak ik er geen woorden meer aan vuil 😉
Profile Image for Teaspoon Stories.
149 reviews2 followers
November 2, 2025
“Small Souls” opens on a blustery evening in the Hague with a frantic woman rushing through the rain and mud to deliver an urgent message to the various arms of her family. It’s news about the arrival of Constance, the black sheep of the family, who’s returning home to Holland after two decades of scandalous exile abroad.

And so, in a scene of wind, turmoil and dripping umbrellas, we’re thrust into the world of “Small Souls”, the first of a quartet of novels that make up Couperus’ vast, glorious panorama of upper-middle class society in the Hague around 1900.

Think “Forsyte Saga” meets “Anna Karenina” meets “Buddenbrooks”. Multi-generational thousand-page epics with casts of hundreds, realistic locations, gripping plots and astute psychology. With his fin de siècle Hague setting, Couperus captures a glittering world of embassies, gala balls and royalty. But it’s also a world where lives are ruined through suicide, insanity and incest.

This is the fourth time I’ve set out on this particular journey with Louis Couperus - although that’s four times over four decades so an epic re-read feels overdue. With the rain battering the window panes outside, and the wind gusting as it did when Dorine hurtled through the wet streets of the Hague on her mission, this afternoon seems the perfect moment to settle down and launch into “Small Souls”.

The small souls of the title are the connected families who draw their powerful sense of self esteem from their impressive elderly relative, Marie Van Lowe, the serene matriarch and widow of the Governor General. This position is at the very top of the tree in terms of wealth and status. The problem, though, is that once at the top, things can only decline. And that’s exactly what Couperus charts so powerfully: the disintegration and failure of a once prestigious and dynamic force.

I’m helped greatly by a family tree which I drew up on a previous reading. I’m sure that Couperus must have done something similar when he was writing the novel, because the detail and complexity is astonishing.

There are connected families each with up to nine children; and a surprising number share the same name, which can make it tricky. Is that Adolfine’s Piet or Gerrit’s Piet? There are three first cousins all called Marietje (loyally named after Grandmama Van Lowe - “Mijn God, wat een Marietjes in de familie!” vol 4 p628). People have both formal names and pet names. And surnames can be splendidly double-barrelled (like Bertha’s high-ranking husband, Van Naghel Van Voorde) or discreetly aristocratic (Constance is, in fact, the Baroness Van der Welcke).

Very briefly the main families in the drama are the Van Lowes, the Ruyvenaers, the Van Naghels and the Van Saetzemas.

- The Van Lowes descend from the governor general. He’s already dead before the novel begins and his widow, Marie Van Lowe, now lives alone in splendour in one of the most aristocratic houses in the Hague. She has eight surviving grown-up children, ranging in age from Bertha (50) to Paul (35) who all visit every Sunday evening for the famous “family group”. There’s also a new younger generation of Van Lowes: the nine rumbustious kiddies (“that fair-haired little troop” p62) belonging to Gerrit, Marie Van Lowe’s blond, broad-chested cavalry-captain son.

- Before she married Constant Van Lowe (the governor general, in case you’d forgotten), Marie was a proud Ruyvenaer. She has two spinster sisters in their eighties, frail, deaf and prone to saying awkward things in public. Amusingly they’re called Aunts Rien and Tien. Marie also has an elderly brother, Herman Ruyvenaer, who’s very wealthy, with an embarrassing but well-meaning wife and three unmarried daughters called Toetie, Dotje and Poppie. Dutch names are distinctly weird.

- Marie Van Lowe (the governor general’s widow) has four daughters. Bertha her eldest has done very well for herself and married the government minister, Van Naghel Van Voorde. Bertha is very swanky, always having exclusive dinners and swish balls (mostly not paid for, as it happens). She has eight children aged from fourteen upwards who are “morbid and melancholic”, as repressed Bertha privately recognises (“When we think that we have lived for our children and slaved and schemed and contrived for them, then it all comes to nothing, nothing, nothing; and not one of them is happy … “ p199).

- Marie Van Lowe’s third daughter is Adolfine, married to plodding civil servant, Van Saetzema, who has far too little money and status to satisfy his grasping and embittered wife. Sallow, shabby and “smouldering with jealousy” (p73), Adolfine has six children and a household that’s chaotic and disagreeable.

In addition to the families with large numbers of children, there are several individual family members who have significant parts in the story. These include:

- Ernst Van Lowe, in his late thirties and single. He’s “gloomy, timid, queer and shy” (p19), more comfortable with his antique vases than with human company. After he starts hearing his vases whispering and “trapped souls singing under his bed”, his mental health breaks down completely.

- Dorine, the youngest daughter of old Marie Van Lowe. Dorine is mid-thirties, unmarried, and spends her life running errands for everyone else. This makes her bitter and peevish. She’s shabby, skeletal and a slight embarrassment to her family who nevertheless constantly dump “stuff” on her to keep her endlessly busy.

- Paul Van Lowe is the youngest of the governor general’s eight children. He’s thirty five, single, and terrified of growing old. He’s a self-obsessed dandy, camp and witty. Undoubtedly there’s much of Louis Couperus himself in Paul - with their gay sensibilities hiding in plain sight.

- Constance is also the apple of Couperus’s eye - elegant, emotional, vain and sensuous. She both appals and fascinates her family with her seductive sexuality and her needy self-centredness. The scandal around her is that she left her older husband, an ambassador three-times her age, for a man younger than herself, a junior official at the embassy called Henri Van de Welcke. Addy is their love child - and destined for great things over the four novels of “Small Souls”.


One of the things that Couperus does delightfully, to help us remember who everyone is in his vast fictionalised family tree, is to accentuate a particular characteristic that someone has and to use this whenever that character pops up - like a signature tune or a Wagnerian leitmotif. For example:

- Bertha Van Naghel “blinking her eyes, laconically”, as she suppresses the anxieties and money worries that are about to overwhelm her (p19).

- Sedate and dignified Karel and Cateau, childless and very comfortably off, constantly claiming frugality whilst “cosily feasting splendidly” every evening at home.

- Dorine Van Low, endlessly “trotting about and running errands for the brothers and sisters” (p271), while all the time complaining (to herself) about being taken for granted.

- Adolfine Van Saetzema, embittered, spiteful and jealous, always dissing other people, disparaging what they value, and passive-aggressively insulting those who try hardest to be nice to her (“I’m not saying this to offend you, Constance, but because I like you and want to save you from further disappointments” p371).

- Gerrit Van Lowe, “broad-shouldered, hail and hearty”, constantly reminiscing about his sister Constance as a “pretty little slip of a girl” (p205) acting out fairy stories in their childhood.

- Henri Van der Welcke - bored and remote - endlessly smoking cigarettes in “a cloud of blue smoke”.

- Toetie and Dotje Ruyvenaer - “good-natured, kindly and simple” spinsters in their thirties - always enjoying everything “awfully” (p252).

- And of course, the stormy Dutch weather, probably the main character of the novel, appearing on most pages - both literally and metaphorically - in the form of “glowering clouds”, lashing rain and “moaning wind”.


Louis Couperus writes about issues such as mental health, the role of women and fractured relationships in a way that makes him seem very contemporary.

Couperus believed that he himself was living precariously under the constant shadow of psychiatric disorder both because of the aristocratic inbreeding within his immediate family and because of his own sexuality which at that time was categorised as a form of insanity. So it’s hardly surprising that mental illness is a significant preoccupation of his in “Small Souls”. For example:

- Ernst Von Lowe, “who has always been rather strange” (p30) with his obsessive collecting and super-intense nature, experiences psychotic episodes and is taken into psychiatric care.

- Paul Von Lowe is neurotic and fastidious, unnaturally fixated on his appearance and unhealthily obsessed with cleanliness.

- Constance is emotionally unstable and volatile, with violent mood swings and an obsessive need for love and affection.

- The twenty-something Van Naghel siblings are wretchedly depressed (“I’m suffocating with it all, I’m stifling and I’m terribly, terribly, terribly unhappy! p172). They’re also unnaturally affectionate with each other, so creepily so that Henri Van Naghel’s no-nonsense student chum angrily confronts him: “Are you in love with your sister? And then Henri almost began to cry … “ (p191).

- Emilie Van Naghel leaves her abusive husband and runs off to Paris where she lives incestuously with her brother Henri who becomes a famous Pierrot.

- Gerrit Van Lowe, the strapping cheery captain of the hussars and father of nine, is privately “dying of melancholy” (p150) and struggling to keep his nerve. He believes there’s a “gruesome centipede” gnawing away at the very marrow of his being and he plunges into a suicidal blackness.

- Gerrit’s youngest daughter, Klaasje, has what we would now call learning difficulties. Though physically she’s big and sturdy, she remains a toddler mentally and is lovingly cared for as part of Constance’s vast adopted family at Driebergen.

- So it’s hardly surprising that guests at Emilie and Van Raven’s wedding are gossiping that “In fact, they’re all a little bit mad … Yes, there’s a strain of it in all of them … A strain? Something more than a strain I call it!” (p163).


Another theme of “Small Souls” is marriage, although it’s hardly a glowing endorsement of the matrimonial state. The married couples seem at best remote and transactional (the wives mostly call their husbands by their surnames!), often bitter and fractious, and sometimes soul-destroying and toxic. For example:

- Constance and Henri’s unbridled desire which once scandalised society has long turned into poison: “They were fettered to each other in the narrow prison of marriage. Passion dead, the despairing illusion of love killed, they had never been able to accommodate themselves to each other; and without mutual accommodation there is no happiness in marriage” (p47).

- Otto Van Naghel has come to detest his young wife Frances in just two years. Her frailty and neediness has made him bitter and desperate: “Ill? Ill? It takes a woman to be ill. She’s not even that. She’s a reed. If you blow upon her, she breaks” (p146).

- Sensitive and artistic Emilie Van Naghel marries - no one can understand why - the detestable, preening Eduard Van Raven “with his moustache twisted à la Kaiser and his stiff military bows” (p154), a relationship that soon becomes abusive and violent.

- Noble Addy’s dismal, soul destroying marriage to the shallow, meretricious Mathide Smeet.


As you can perhaps tell, I’m completely smitten with Louis Couperus’ “Small Souls”. There’s just so much that fascinates me - so many details and themes and layers of meaning - I fear I could ramble on in this review for ever. Even though it’s getting on for a decade since I last read it, I find the characters have been in my mind all the time and re-acquainting myself with them this autumn has been like putting on a treasured garment that’s been in the drawer all the time.

I began the review comparing the opening scene of the novel - Dorine Van Lowe hurtling through the rain and wind on her important family errand - with the rain lashing down on my own window as I settled down with this book. I realise this image has stayed with me powerfully, and now as I leave the Van Lowe family perhaps for another ten years, I do so thinking melancholically about “the dark night and life that bore down so heavily upon their small souls … “ (p202).




Profile Image for Remko.
77 reviews2 followers
May 16, 2019
In de stilte, in den kalmen avond, in den zoelen nacht, die bijna loom binnenvloot, versmolt haar onrust, haar twijfel, die zij gedurende die enkele woorden met Addy in zich had voelen opkomen - en zij liet zich - aan het open raam - meêsleepen door de doodstille maar diep doordringende betooveringen van het late zomeruur, alsof iets sterkers dan zij zich van haar meester maakte en haar dwong zich over te geven, zonder meer te denken en te twijfelen, aan bijna benauwende zaligheden, die haar bedrongen...

Boven de donkerende massa's van de Boschjes was een zwoelte van zwaren regen, die aarzelde, en, een enkelen keer, lichtte het, daar ginds, in de richting der zee, die zij in de verte raadde - met plotselinge oplichtingen, met geluidelooze weêrlichten, verzwijmende dadelijk in laag wolkenden nacht.

Zij hing in haar stoel, eerst gedrukt door haar twijfel en de zwoelte maar langzamerhand, langzamerhand - haar oogen blijvende gericht op de electrische glanzingen, daar ver weg - versmolt haar twijfel geheel, drong de betoovering dieper door en de onweêrszwoelte was als een wellust zelve, waaronder hare borst zacht hijgde, hare lippen zich openden, hare oogen zich sloten, om dan, grooter en opener, weêr te turen naar het weêrlicht, dat lichtte en zwijmde - oplichtte en zwijmde, met tusschenpoozen vol van mysterie...


-----------


De grootvader tegen de vader:
"En dien avond eerst, terugkomende op wat hem in een nooit gevoelde verbazing bezig hield uur aan uur, na die gesprekken met zijn zoon, vond hij meerdere woorden, zeide hij:

- Neen, ik begrijp dat niet... Ik begrijp je niet, Henri. Ik voel, dat er wel tusschen ons heen een heel, heel diepe kloof is. Ik voel wel, dat er in je noch liefde -, noch vreeze Gods is. Dat geheel en al in je leven, met je vrouw, met je kind, ontbreekt een godsdienstige richting. Het maakt me diep bedroefd. Zóo had ik het me niet gedacht. Ik had nog wel gedacht, dat je iederen dag God vergeving zoû vragen voor wat je eens hebt misdaan, aan jezelven, aan je ouders, aan die vrouw, aan haar man, aan de wereld, aan God. Zoo verstokt, zoo totaal berouwloos, zoo alleen betreurende je eigen geknakte leven en geknakte carrière, had ik je... Henri... niet gedacht. Ik kan alleen voor je bidden, en ik zàl voor je bidden, iederen dag... Maar ongeloof begrijp ik nog... Wat ik echter niet begrijp is, dat je... je zoon, een kind van veertien jaren, de ziel - eenvoudigweg - bederft door hem te vertellen je misdaad - eenvoudigweg - om hem niet langer te laten lijden... Zoo zijn je woorden, niet waar? Nu, als ik die woorden herhaal in mijzelven, en nog eens herhaal, en ze bedenk en bepeins... dan... begrijp ik ze niet. Dan begrijp ik je niet. Dan voel ik, dat je wel heel ver verwijderd moet zijn van elk moreel gevoel, van elk besef van verplichting tegenover je kind, van alle vreeze Gods - om zoo te hebben kunnen doen, zoo te hebben kunnen spreken met je zoon - om hem niet langer te laten lijden, eenvoudigweg, - en ik vraag mij af: droom ik... waar ben ik... met wien spreek ik... Heb ik tegenover me mijn zoon, mijn kind, opgevoed door mij, en is, wat hij mij zegt, de waarheid, of een zinsbegoocheling... En als dan die zinsbegoocheling waarheid is, Henri, als je zoo ver afgedwaald bent van elk besef van moraal en vaderlijke verplichting - dan betreur ik dat diep, heel diep, dan staar ik daar in als in een afgrond, een afschuwelijkheid, en dan beken ik, dat ik je niet begrijp - en niets begrijp van deze wereld, dezen tijd, deze menschen, waarin en waarmeê wij nu leven..."

(...)
- En hoe verlangd hij ook had naar zijn vader, in Brussel, hij voelde nu, dat hij verlangd had naar een hersenschim; dat, voor hem nu, een vreemde zijn vader was, en hij voor zijn vader een vreemde, twee vreemden voor elkaâr, die alleen een herinnering aan vroeger nog gebracht had tot elkander. En, vreemd, had hij als kind zijn vader meer liefgehad dan zijn moeder, nu scheen meer zijn liefde te gaan tot die oude vrouw, tot die moeder, die nooit vreemde was geworden, die altijd moeder gebleven was, stilzwijgend, lezende in haar verboden boek, eenvoudig verlangende terug naar haar kind, tot wien de stemmen gezegd hadden, dat zij gaan moest... -

De zoon over de vader:
"Van der Welcke sloot zalig de oogen. De zomerlucht wademde, de dennengeur stoofde, de naalden glinsterden en geurden. En Van der Welcke, met het hoofd op den schoot van zijn zoon, sliep in.
- Goeie, ouwe vader, dacht Addy, en hij streek met zijn hand over zijn vaders ronden kroezekop.
Hij zag op hem neêr, terwijl hij, om zijn vader te laten slapen, onbewegelijk zitten bleef, den rug tegen een boom. Hij zag op hem neêr... goeie, ouwe vader... Maar, hij was niet oud, die vader... Hij was jong... Het was eensklaps of Addy het zag, voor het eerst. Hij was jong...
(...)
Als een kind, nu sliep hij op zijn, Addy's, buik met een rustige ademhaling... Die goeie, ouwe vader... Neen, heelemaal niet oud. Zoo jong als een broêr, als een vriend, als een kameraad... Zoo jolig ook, en zoo dol soms... Dan in eens poogde hij vaderlijk te doen! Goeie vader! - Addy lachte - dat ging hem heelemaal niet goed af!

Hij hield van hem zoo, zoo jong, zoo vriend, zoo kameraad, zoo broêr... Mama was zijn moeder, altijd, ook al vrijde hij wel eens met mama - papa was geen papa - papa was zijn vriend, zijn broêr. Maar jong als papa was... vreemd was het toch - vond Addy - dat papa zoo vaak hem gezegd had: mijn leven is geknakt, mijn carrière is gebroken... Waarom was dat? Was dat alleen omdat papa uit de diplomatie had moeten gaan, toen hij nog heel jong was en getrouwd was met mama? Maar zijn jong, helder verstand, van redelijk, vroeg bevattelijk kind, kon dit niet bevatten, en... eensklaps - als het dan zoo waarlijk was, als papa het hem verklaard had - zijn leven geknakt, zijn carrière gebroken, dan vond Addy dat niet goed, keurde het af, vond het zwak in papa, zwak, ziekelijk bijna, ziekelijk... Hoe was het mogelijk, dat papa sedert dien dag, dat hij zijn ontslag genomen had, nooit iets anders had gedaan, dan geklaagd over die gebroken carrière, ze mama of stilzwijgend, of met woorden, had verweten, en in Brussel alleen wat had kunnen scharrelen in wijn en assuranties, terwijl er zooveel was, - het leven - de wereld... de heele wereld... open... open voor hem! En hem, het kind zelve, was het of wijde verschieten voor hem openweken, die hij alleen nog maar raadde als een droom van toekomst, die hij alleen nog maar voelde, dat er waren, dat er bestonden voor ieder, voor ieder, die jong was, en sterk, en gezond, en verstandig... Maar terwijl hij zoo zich verwonderde, zoo afkeurde in zichzelven... zoo zwak, waarom zoo zwak?... voelde hij iets als een zacht, liefdevol medelijden door die verwondering heen en die afkeuring - en een behoefte als om nog meer te houden met heel zijn hart van dien vader, die zoo jong, zoo gezond en... zoo zwak was... Zijn jongenshand legde zich zacht op het kroezehaar van dien vader, streelde het bijna zacht, terwijl die vader sliep, en met een soort van verteedering dacht het kind: hoe ben je zoo... hoe kan je zoo zijn... waarom heb je je nooit opgericht... uit die zwakte... flinker - fermer... arme, arme vader... En het was vreemd, maar terwijl hij afkeurde, voelde hij zijne liefde sterker - als de liefde van een, die sterker is, toegaat tot een zwakkere, mindere, naarmate de eerste sterker zich voelt, de andere zich toont zwakker... naarmate in den eerste onbewust zich ontwikkelt de neiging te beschermen, te steunen.


--------------

"Marietje van Saetzema stond aan het raam en keek in de straat. Zij keek de geheele straat in, omdat het huis, een hoekhuis, niet in de lengte der huizenrei stond, maar in de breedte, en de straat half afsloot, als een hofje van groote huizen. De straat strekte zich vrij lang uit en, ook aan haar andere einde, sloot een huis ze ten deele af, en maakte waarlijk van ze een hofje, van gegoede lui. De twee gevelrijen liepen weg met een gewilde grilligheid van schoorsteenen, spitsjes van gegoten ijzer en puntdakjes van zink, windvlaggetjes van koper en balkonnetjes en erkers, alsof de architecten en aannemers eens artistiek hadden willen doen, en niet hadden willen trekken éen lange, eentonige gevellijn. Maar de nieuwe straat - ongeveer twintig jaar oud - had toch behouden de Hollandsche netterigheid van fatsoenlijken stand: de trottoirs liepen, schoon geschrobd, zich versmallende in de verte, weg, met het grauwe lint van de rollaag, met de regelmatig geplante lantarens; het midden der straat was gevuld door een plantsoen: ovale gazons met raster omgeven, waarin kastanje-boomen, rond gesnoeid, en er onder een perk met regelmatig geplante sparretjes. De gevels, na de groote schoonmaak, glommen van knapheid; de net gemetselde baksteentjes teekenden duidelijk, tot ver toe, hunne langwerpige vierkantjes; de raamposten blonken van frissche verf, glanzend lichtbruin of botergeel; de store's, voor de glinster-spiegelglazen netjes neêrgelaten, hangende half-hoog uit hunne heel correcte kappen, waren aan ieder huis opgetrokken tot éen zelfde lijn, als met een passer gemeten, en de huizen verborgen hun leven heel stil achter de rechte, gelijke, regelmatige vitrages van vensterguipure. En heel bizonder was, dat iedere gevel uitstak een vlaggestok, met ijzeren bouten schuin gezet, den stok rood, wit en blauw - hel duidelijk die kleuren der natie - als lint om den stok geslingerschilderd, een versch vergulden knop van boven. Alle die vlaggestokken - een mastbosch van stokken, eeuwig daar schuin gezet aan de gevels met de ijzeren bouten, - wachtten af, om tweemaal in het jaar dundoek te hijschen en vlaggen te laten waaien voor de Koningin en hare Moeder.

Marietje keek uit. Het was Mei en de kastanje-boomen in de gazons wilden strekken, ontplooien hun zachte, frischgroene waaiers, toegevouwen en aan de stelen gebogen. Maar een dolle wind woei door de straat, die was als een hofje van gegoede menschen en de wind geeselde de nog dichte kastanje-waaiers. Het meisje, meêlijdende, keek naar ze, hoe ze werden heen en weêr door den wind gegeeseld, de innige jonge blâren, die voorjaarsfier en vol lenteleven wilden ontplooien. De teedere blâren waren vol hoop, omdat gisteren de zon had geschenen na regen, aan een schoon gewasschen lucht, en zij dachten, dat openging hun leven van blad, van aan takken en twijgen uitbladerend blad... Zij wisten niet, dat altijd de wind ranselde, als met nijdige geesels, met bijtende zweepen: zij wisten niet, dat hun bladeren-ouders, het vorige jaar, waren geranseld als zij nu, en hoewel zij beminden den wind, op wien zij droomden te wuiven en waaien en vroolijk te zijn en gelukkig, hadden zij dit nooit gedacht, nog vóor zij opengeplooid hadden al hun innigste groen, geranseld te worden met zweepen.

De wind was zonder medelijden. De wind ranselde door de lucht als een dolle, als een onzinnige, die niet zag, die niet voelde; machtig omdat hij sterk was, en dom, omdat hij geen hart had. En het medelij van het meisje ging toe naar de innige blâren, de jonge blâren van hoop, die zij zag schudden en trekken en striemen, en verslensd dwarrelen over de straat. De domme, almachtige wind, uit het Noord-Oosten, vulde de straat: de windvlaggetjes wapperden dol, de ijzeren bouten der vlaggestokken kermden jichtig en moeilijk, de stokken zelve zwiepten, als waren zij masten van
huize-schepen, vastgemeerd aan een klinkerweg.

Het meisje keek in de straat. Het was een morgen in Mei. Voor een huis, als matrozen waarlijk bij een schip, richtten witte zeeman-achtige mannen ladders op en gingen de spiegelglazen sponzen. Zij torsten meê op de ladders emmers vol water en zij waren tusschen het mastbosch der rood-en-wit-en-blauwe stokken als zeelui, die tuigden een schip op.

In de straat reden net geschilderde wagens, van een waschinrichting, een koekebakker, een roomboterfabriek. Daartusschen schreeuwden vruchtenverkoopers, die duwden een kar met sina's-appels en, eventjes purper, de allereerste aardbeien. En geheel het huishouden van eten en drinken dier nette huizen, wier leven school achter de kanten gordijntjes, vulde de morgenstraat. De slagersjongens overheerschten. Ieder huis had een anderen slager. Zij liepen, de jongens, breed, stevig, in hunne frissche witte morskielen, de rieten manden vol lillende vleezen - hun vuist aan het hengsel - straf getast op schouder of heup, een beetje schuin om de zwaarte, en zij belden aan. Soms fietsten er een paar snel de straat door. Aan alle huizen gaven zij af groote hoeveelheden vleesch: lappen en lapjes, biefstukken en ribstukken, gekneden frikadel, die aan de deuren de meiden aannamen, met een woord van scherts, en dan een dichtkwakken van de deur. De slagersjongens overheerschten, maar ook de warmoeziers - de open wagens vol frissche groente geschikt - waren zeer velen. De melkinrichting, met hare wagen van gepoetste koperen kannen, belde overal aan, en opvallend van gezochte netheid was een wagen met bier-in-kannen: de koetsier, die telkens afsprong en belde, in een soort bruin sportpak met hooge laarzen en een automobiel-pet op; de wagen, versierd met aarden kannen en relief de paneelen bombeerend. Een draaiorgel snerpte aan, met een heel melancholieke wijze: de vent draaide een stukje melancholie, brak het af, douwde weêr voort: zijn wijf belde aan iedere deur, stak haar centen, natuurlijkweg, op. Telkens, aan de deuren, verschenen de paarsche meiden, of uit de open ramen der slaapkamers helden zij uit en keken, of riepen, en smeten haar paar rijke-lui's-centen neêr. Het huishouden vulde de straat, terwijl de wind, dom en machtig, waaide. Een heer, een portefeuille onder zijn arm, ging naar zijn bureau. Twee jonge meisjes fietsten weg; een dame, heel vlug, ging een boodschap doen. Maar verder was het het huishouden van eten en drinken. Het vulde de straat, het belde en belde en belde, tot alle huizen tjingelden van het gebel. En de huizen borgen den voorraad binnen, de straat werd stil: alleen de wind waaide de jonge kastanje-blâren stuk, en de vlaggestokken dreunden aan hun kermende jichtige bouten...

Marietje wendde zich af. Zij was een bleek blond meisje van zestien jaren, met flauwe blauwe oogen, en een wit velletje, zonder bloed. Haar haar, weggestreken van haar voorhoofd, was achter al opgestoken in een dotje. Zij had een boezelaartje voor. En nu zette zij zich voor een piano en tikkelde gamma's af."
Profile Image for Tijl Vandersteene.
124 reviews11 followers
March 18, 2018
Couperus, een naam die niet de bijklank heeft die hij verdient. Dit is nochtans echt de top, wereldklasse. Past wat mij betreft in het rijtje groten. Bovendien is dit Nederlandstalig en zoveel meesterwerken in mijn moedertaal ken ik niet. Ik hou het kort: wie van inhoud, stijl, virtuositeit, drama, volume, taal... wie kortom van stevige literatuur houdt zal smullen van deze vier boeken. Samen vormen ze een copieus viergangenmenu voor de geest.
Profile Image for Inge.
139 reviews13 followers
March 2, 2015
Wat is het toch heerlijk om je maar liefst 1000 pagina's in Couperus te verliezen. Als geen ander weet hij emoties te verwoorden en familierelaties uit te werken. De focalisatie wisselt, daar moest ik af en toe even aan wennen. En het is best een somber boek (spijt, wanhoop en verdriet zijn aan de orde van de dag). Maar Couperus' stijl is zo bijzonder mooi, zijn taal is uitzonderlijk mooi!
Profile Image for Deirdre.
78 reviews1 follower
August 20, 2021
Ik ben positief verrast door dit boek! Hiervoor heb ik Eline Vere gelezen en ik vond dat echt niet doorheen te komen. Maar in tegenstelling tot dat boek was dit echt een page turner soms.

Prachtig geschreven, Louis Couperus omschrijft herkenbare situaties en gedachtegangen, die mij aan het denken zette hoe klein van ziel ik soms ben. Zeker een aanrader!
Profile Image for Martine Koenders.
6 reviews1 follower
December 24, 2013
Prachtig melancholiek en sensitief. Fijn om te herlezen. 'Het was mooi en zacht, de lente weefde groentjes tusschen de bomen.' Zomaar een zin, een van de vele, waar ik van genoot.
Profile Image for Marissa.
518 reviews13 followers
May 8, 2025
This is the first book of a tetralogy and it ends on SUCH a cliffhanger. Most of the way through, I was enjoying it but expected I would not feel compelled to seek out the other volumes. The last scene has changed my mind. Devious Mr. Couperus.

I picked this up to check the Netherlands off my Reading the World list. It has answered that requirement most satisfactorily. A few observations:

The story itself put me a little in mind of Edith Wharton. Similar era, similar concerns.

The setting was vividly rendered. The reader is quite transported to the rainy Hague at the beginning of the last century.

I found myself googling when stream-of-consciousness became a thing. Most people point to Proust, but Couperus here was definitely playing with a similar style a decade earlier--maybe a little clumsily, though. One feature of his style is that he follows the spiraling of his characters' thoughts verbatim, repeating things over and over and over again. I suppose it's really how our brains work when we are stewing on things! But it made for a tedious reading experience at times.

He evoked the dynamics of a large family so well. This was a pretty short book with a pretty big cast, but I feel like I KNOW these people -- and they are real, believable, petty, sometimes exasperating and sometimes endearing people -- as well as if I were a spare sibling in it.

I'm not quite sure what the author was driving at, spending so much time on Constance and Henri's terrible parenting. Scene after cringey scene. I wonder if Couperus was trying to exorcise an autobiographical demon? Because this aspect of the story could have been much more succinctly conveyed. As it was, it seemed like a lack of authorial discipline.
Displaying 1 - 30 of 37 reviews

Can't find what you're looking for?

Get help and learn more about the design.